Overzicht columns

7 juni 2021

Hokjes

Voor de gelegenheid heb ik mijn joggingbroek verruild voor een jurkje. Mijn piekerige grijze haar is eigenlijk het enige wat het traject dat achter me ligt nog zichtbaar maakt. Verder begin ik steeds meer op mezelf te lijken. Een beetje onwennig stap ik de auto uit en het terras op. Om mij staan allemaal mensen die ik door alle omstandigheden al een tijdje niet heb gezien en ik voel hun ogen op mij gericht.

‘Wat fijn dat je er bent, wat zie je er goed uit!’ Ons weerzien na lange tijd gaat gepaard met veel complimentjes. Het zijn complimentjes die ik de laatste tijd überhaupt vaak hoor. Ze worden vaak uitgesproken met een mix van bewondering en verbazing. Het label kankerpatiënt stond maandenlang letterlijk op mijn kale hoofd geschreven. Iedere wildvreemde kon met redelijke zekerheid inschatten tot welke categorie ik behoorde. maar naarmate mijn haar langer begint te worden vervaagt dit label als sneeuw voor de zon. De associatie is duidelijk: Een kankerpatiënt is kaal en meer dood dan levend. En die labels passen niet bij hoe ik er nu uit zie. 

‘Hoe gaat het met je?’ vragen de nieuwsgierige omstanders. Deze vraag is onmogelijk in een paar woorden te beantwoorden, dus houd ik het maar bij de kern: ‘Goed, het voelt haast alsof er niets gebeurd is.’ De wenkbrauwen om mij heen gaan een paar centimeter omhoog, de verbazing wordt iets sterker zichtbaar in de ogen eronder. Dit antwoord hadden ze duidelijk niet verwacht. En ik zal eerlijk zijn; ik had ook nooit verwacht om dit antwoord zo snel na het hele traject te kunnen geven. Maar toch is het zo. Mijn nachten en middagdutjes worden korter, mijn wandelingen langer. Ik voel energie door mijn lijf heen stromen die ik jaren niet gevoeld heb, ik doe steeds meer dingen die ik leuk vind en op sommige dagen komt het onderwerp ‘kanker’ steeds minder ter sprake. 

‘Ben je nu genezen?’ luidt de volgende vraag terwijl ik een eerste slok van mijn drankje neem. Nu ik er niet meer uit zie als een kankerpatiënt en mij klaarblijkelijk ook niet meer zo voel lijkt het wel of mensen even willen checken of ik dit label nog wel verdien. Ik krijg de vraag sinds het einde van mijn behandeltraject steeds vaker. De eerste keren was ik verbaasd door deze woorden, want zelf had ik hier toen nog geen seconde over na gedacht. Het traject stopte net zo abrupt als het begon, waardoor ik nog helemaal niet kon denken in termen als ‘beter’ of ‘genezen’. Daarnaast besef ik heel goed dat dit allemaal in de komende jaren zal moeten blijken. Daarom geef ik mijn eigen vrije vertaling van de woorden van de artsen: ‘Voor nu lijkt alles goed’. 

Dat klinkt net zo fragiel en onzeker als ik me hierover voel. Ik besef me heel goed dat de artsen mij geen enkele garantie kunnen bieden, omdat ook zij simpelweg niet weten of er ergens in mijn lijf nog een opstandige cel zich schuilhoudt en of, en wanneer, deze tot leven zal komen. De jarenlange anti-hormoontherapie die ik momenteel krijg en de jaarlijkse controles zeggen het eigenlijk allemaal; we moeten er de komende jaren nog van alles aan doen om eventuele wandelaars geen kans op leven te geven. En dus behoor ik nog steeds tot de categorie ‘kankerpatiënt’. 

Als ik mensen dit antwoord geef zie ik de verwarring. De onzekerheid die in deze uitleg verscholen zit zorgt er voor dat ik moeilijk in een hokje te plaatsen ben. Want ben ik nu kankerpatiënt of niet? Ook ik vind het lastig dat ik niet met zekerheid kan zeggen dat ik genezen ben. Soms heb ik die houvast nodig om met vertrouwen naar de toekomst te kunnen kijken. Op die momenten zoek ik naar garantie en wil ik er alles aan doen om in het hokje ‘ex-kankerpatiënt’ te komen. Maar helaas; de enige manier waarop ik tot dat hokje mag toetreden is overleven. Ik moet eerst dagen, maanden en jaren overleven zonder dat de kanker terugkomt. Pas op het moment dat het erop zit, weten we of ik nu ben genezen of niet. Tot die tijd leef ik een beetje tussen hoop en vrees; ik ben geen zichtbare kankerpatiënt meer maar ook geen ex-patiënt. En hoewel dat met vlagen vreselijk onzeker voelt is het eigenlijk is ook helemaal prima zo. Ik hou überhaupt niet zo van hokjes. 

27 mei 2021

Terug bij start

Het is hetzelfde ritje met dezelfde auto dat eindigt in dezelfde parkeergarage. Net als 237 dagen geleden stap ik in mijn eentje hetzelfde ziekenhuis binnen en meld ik me bij de inmiddels welbekende ontvangstbalie. Doordat mijn kapsel de typische kankercoupe begint te ontgroeien heb ik het idee dat mensen de ziekte niet meer van me af kunnen lezen. Zij zien een jonge gezonde vrouw en voor veel van hen oogt dit bezoekje waarschijnlijk doodnormaal en onschuldig.Net als mijn borsten zon acht maanden geleden en net als de plek op mijn been die ik vandaag opnieuw laat onderzoeken. Minimaal verdacht,noemt de arts het. Maar we willen het tóch even verder onderzoeken.En daarom ben ik vandaag terug bij start. Terug op de plek waar het een paar maanden geleden allemaal begon. Dat voelt behoorlijk traumatisch, want hier kan ik pas echt overzien welke route ik sindsdien heb afgelegd.

Met een naar gevoel in mijn buik neem ik plaats in de wachtruimte bij de röntgenafdeling; alweer bekend terrein. Een uur voor mijn eerste chemokuur liet ik hier een aantal foto’s maken van datzelfde been. Nu zit ik hier opnieuw. Alles lijkt hetzelfde, maar toch is alles anders. Met als grootste verschil: inmiddels weet ik hoe het onbekende eruit kan zien. Ik weet hoeveel pijn en verdriet er in dat traject verscholen gaat en ik weet hoe diep je moet gaan om beter te worden. Alle herinneringen schieten door mijn lijf als een balletje door een flipperkast. De pijn, het verdriet, de angst en de wanhoop dringen zich aan mij op en zorgen voor zoveel spanning in mijn lijf dat ik mijn tranen niet meer kan bedwingen. Ik huil stilletjes om wat er komen gaat, maar vooral om wat er allemaal geweest is. Ik herinner me hoe bang ik die dag was voor het onbekende en vandaag voel ik precies het tegenover gestelde. Vandaag ben ik juist bang omdat ik precies weet wat me misschien te wachten staat. En ik ben bang dat ik dezelfde route opnieuw moet afleggen.

De onderzoeken stellen niet veel voor, een half uur later sta ik alweer buiten en adem met een paar flinke teugen een dosis frisse lucht in. Ik ben blij dat het er op zit maar het nare gevoel dat ik al een paar dagen met me mee draag is niet verdwenen, het hangt als een zware deken over mij heen. Ik stap in de auto en rijd naar huis. Daar stort ik mij in de armen van mijn liefde. Ook hij is een stuk wijzer dan acht maanden geleden en in tegenstelling tot de vorige keer heeft hij geen bemoedigende woorden meer. Ook hij kan mij en zichzelf niet meer geruststellen met woorden als ‘het zal wel niets zijn’ en ‘het komt wel goed.’ Inmiddels weten we allebei dat we niets anders kunnen doen dan wachten op het oordeel van de deskundigen.

Vier dagen later gaat de telefoon. ‘Ik heb de resultaten vergeleken met de vorige foto en de plek op je been is onveranderd. Dat duidt opnieuw op een goedaardige aandoening,’ vertelt de arts mij. Ik laat mijn ingehouden adem ontsnappen. ’En wat is dan nu mijn status?’ vraag ik hem. ’Voor zover we kunnen zien ben je nu kankervrij.’ Het woord kankervrij zorgt voor een opluchting die als een tsunami door mijn lijf golft. Maar de woorden ‘voor zover we kunnen zien’ zorgen voor een dubbel gevoel. ‘We moeten het zeker weten!’ roept mijn hoofd en ik vraag de arts wat we kunnen doen om 100 procent zekerheid te krijgen. ‘Kunnen jullie geen biopt nemen?’ De arts legt mij uit dat een botpunctie nog niet zo gemakkelijk is en dat het veel nadelen heeft. Hij belooft de kwestie nog een keer te bespreken met de commissie die gespecialiseerd is in bottumoren, maar drukt me nogmaals op het hart dat het echt goed nieuws is. Met deze laatste woorden probeert hij mij gerust te stellen voordat hij het telefoongesprek beëindigd, maar dat lukt niet echt.

‘Voor zover we kunnen zien.’ De woorden spoken nog dagenlang door mijn hoofd en ik kan ze moeilijk loslaten. Ik ben op zoek naar garantie maar besef meer en meer dat niemand me die gaat geven. En dus probeer ik vanaf nu te focussen op het feit dat ik voor nu klaar ben met ziek zijn, met patiënt zijn en dat ik weer mag gaan leven. Al heb ik nog geen idee hoe dat moet.

20 mei 2021

Stapjes

Mijn nachtrust wordt bruut verstoord door het deuntje van mijn telefoon. Dit geluid heb ik de afgelopen maanden maar sporadisch gehoord. Alleen als ik op tijd in het ziekenhuis moest zijn voor een onderzoek, ingreep of operatie had ik een wekker staan. De andere dagen sliep ik gewoon tot ik wakker werd. Maar vandaag gaat hij voor het eerst sinds lange tijd weer af, want voor het eerst sinds maanden heb ik weer eens een afspraak in de normale wereld en die afspraak heeft voor het eerst sinds maanden niet te maken met kanker. Dat voelt heerlijk, maar ook onwennig. En to be honest; ik ben ook een beetje zenuwachtig. Ik ben zo lang niet in die normale wereld geweest dat ik me er eigenlijk niets meer bij voor kan stellen. Hoe werkt het daar ook alweer precies?

Ik knipper moeizaam de slaap uit mijn ogen. Het licht van mijn telefoon is nog te fel en het tijdstip voelt veel te vroeg. Ik heb de wekker extra vroeg gezet, want ik heb eigenlijk geen idee meer hoe lang mijn ochtend ritueel precies duurt. Vroeger kon ik binnen een half uur gedoucht, opgemaakt en met een ontbijt achter mijn kiezen buiten staan, maar in dat half uur moest ik dan al zoveel gas geven dat ik op de drempel van de voordeur eigenlijk alweer moe was. Dat haasten wil ik niet meer en dus staat mijn wekker niet een half uur, maar anderhalf uur voor vertrek.

Na een paar keer snoozen en een korte douche, sta ik tien minuten voor mijn kledingkast om te bedenken wat ik aan zal trekken. Eigenlijk leef ik al jaren in huispakken en joggingbroeken, maar voor mijn terugkeer naar de gewone wereld wil ik toch wat anders aan trekken. Ik vind wat kleren uit een vorig leven en ben aangenaam verrast dat ze nog passen. Daarna loop ik terug naar de badkamer en kijk in de spiegel. Ik bedenk me dat ik ook wel weer eens wat make up  op kan doen en ga op zoek naar mijn toilettas. Die ligt ergens onder in een la bij mijn föhn en bussen haarlak. Beide heb ik de afgelopen maanden niet echt nodig gehad. 

Ik smeer wat foundation op mijn gezicht en probeer mijn wimperloze ogen een beetje meer uitstraling te geven door een lijntje onder mijn ogen te trekken. Het resultaat is matig, veel eer valt er niet aan te behalen. Net als aan mijn haar. Ik heb geen idee wat ik daarmee aan moet en na een paar pogingen het piekerige haar een beetje in bedwang te brengen geef ik het op. Tijdens mijn ontbijt vergeet ik de tijd volkomen (lang leve een chemobrein: zelfs het feit dat ik de deur uit moet kan volledig naar de achtergrond verdwijnen) en als ik tijdens het tandenpoetsen in de spiegel kijk zie ik dat de kraag van mijn trui helemaal onder de make up zit. Ik ben duidelijk de touch verloren. Een paar minuten later sta ik opnieuw voor de kledingkast en trek er een blouse uit. Ik trek hem aan en kijk op mijn horloge. Shit; mijn tempo ligt nog veel te laag, nu moet ik me alsnog haasten. 

Ik ren de trap af, zoek mijn spullen bij elkaar, trek mijn schoenen en jas aan en de deur achter me dicht. De lentezon verwarmt mijn gezicht en verblindt mijn ogen. ‘Shit; zonnebril vergeten.’ Ik ren naar binnen en check nog een keer of ik alles heb. Voor de tweede keer stap ik naar buiten. Mijn vertrouwde cocon uit en terug de normale wereld in. 

Ik wandel richting mijn afspraak. Om mij heen zie ik mensen die naar hun werk, naar school of naar de winkel gaan. Voor hen zijn dit waarschijnlijk stappen waar ze geen enkele aandacht aan besteden, zij lopen hier misschien iedere dag en wellicht regelmatig met tegenzin. Maar voor mij zijn deze kleine stapjes gigantisch: Voor even ben ik weer terug in de normale wereld en dat zorgt voor een enorme glimlach op mijn gezicht.